Je kwam uit het tweede nestje van moeder Kachel (wat een ongelooflijk kutwijf was, maar dat terzijde) op het moment dat ik Kachel na haar eerste nestje wilde laten steriliseren, maar toen bleek ze dus alweer zwanger te zijn, de slet.
Het eerste nestje met je halfbroertjes en -zusjes was overduidelijk van de dikke rooie kater van de Vlampan (de snackbar op het Javaplein, waar we destijds boven woonden), want die waren allemaal rood. Jullie vader was waarschijnlijk de zwart-witte kater uit de buurt, maar het zou ook zomaar kunnen dat Kachel zich nog door een andere viriele kater heeft laten pakken (de slet), want jullie zijn echt van alles wat.
Voor het kutwijf dat ze was, was Kachel wél een goeie moeder. Zolang ze jullie zoogde, want op het moment dat jullie gespeend waren, mepte ze jullie steevast voor de kattenbak weg en blies ze naar jullie als jullie ook maar in haar buurt durfden te eten.
Dat jullie allemaal zo verschrikkelijk lief en bijna manisch positief zijn geworden, is echt een wonder.
Ik wil in deze “ode” even je broer en zusjes buiten beschouwing laten (ook al kan over hen ook gemakkelijk meerdere columns worden geschreven), want het gaat nu over jou. Loedertje, psychocat en nog niet eens ook maar een lauw pilsje uit de koelkast.
Je hebt duidelijk niet vooraan gestaan toen de intelligentie werd uitgedeeld. Hoe vaak je wel niet van vensterbanken afgeflikkerd bent, vol met je kop tegen onze glazen tafel bent geknald en als we met je etensbakje naar de hal liepen en je ons volgde met je ogen en dan keihard tegen de deurpost aanliep, dat je zo nu en dan een traptreetje miste en op je buik of je kont naar beneden gleed en je volkomen onverschrokken en cool naar boven keek met een blik : ”Dat was mijn bedoeling”.
Je krijsen naast mijn slaapkamerraam in de ochtend als je wilde eten. Het in de keuken “zomaar even” op het aanrecht komen zitten als ik vlees zat te snijden tijdens het koken of het nèt even op de bankleuning wel heel erg dichtbij mijn hand met daarin een broodje met worst zat en dan daarna de move maakte om over mijn schouder op mijn buik te gaan liggen en me strak bleef aankijken tot ik je een stukje worst van mijn boterham gaf.
Wat mis ik dat allemaal. Want godverdomme, je bent er niet meer, jij lieve, grappige, knappe Loeder.
We hebben je gisteren moeten laten inslapen, omdat je echt fucking slecht ging en omdat je echt op was. En dat is niet gek op 21-jarige leeftijd. Dat is 120 jaar in mensenjaren zei de dierenarts tegen me.
Toch zou ik er alles voor over hebben om nog één keer met mijn blote voeten in je kots te mogen trappen. Om nog honderd keer te mogen staan kokken boven de kattenbak als ik hem verschoon. Om nog een allerlaatste keer je dikke reet met je ster in mijn gezicht gedrukt te mogen krijgen.
Ik mis je.